Na slecht nieuws komt goed nieuws

Met een klassengemiddelde van een 9, een 7,8 en een 8,5 kan ik concluderen dat de schriftelijke overhoring goed gemaakt is: mijn leerlingen hebben de stof tot in den treure begrepen.
Het valt me dan ook op dat het toetsblad bij een enkeling in rood van kleur verandert. Eindstand: een 2,5, een 3 en een 3,5 bij drie van de 79 leerlingen.

Nu ben ik begonnen met het goede nieuws en eindig ik met het slechte nieuws. In mijn praktijksituatie van afgelopen week was het andersom. De cijfers werden ingevoerd in het leerlingvolgsysteem en op die manier werden 3 van de 79 leerlingen met een confronterend cijfer gebombardeerd.

En eerlijk is eerlijk, ik vond het confronterend en vroeg me af hoe het verschil in cijfers zo groot kon zijn. Terwijl de hele klas juicht, wordt dat feestje overschaduwd door drie leerlingen die vanachter het glas toekijken. In een serie zou er 'wordt vervolgd...' op je scherm verschijnen.

Er kwam inderdaad een vervolg. De drie leerlingen spraken me tijdens de eerstvolgende les bij binnenkomst een voor een aan. Ik beloofde erop terug te komen, en beloftes maak je waar. Dus plande ik mijn zevende uur vrij om de drie leerlingen op te vangen. Ik nam mezelf voor om realistisch te blijven: de onvoldoendes zouden niet met een glimlach en verdere poespas weggetoverd worden. Ik deelde het SO uit en gaf ze tijd om eerst te kijken wat ze goed gedaan hadden, om daarna pas te kijken waar het mis was gegaan. Ik probeerde mijn meningen en oordelen over de leerlingen achterwege te laten en op zoek te gaan naar de oorzaak (Teeuwisse, Timmermans & Van Buurt, 2018). Door die houding durfde leerlingen eerlijk en open te zijn en met een kritische blik te kijken naar hun fouten. Na dat stukje reflectie was mijn doel eigenlijk al behaald. Ik ging vervolgens stapsgewijs met de stof aan de slag, want ik had nog een praktisch vakdoel voor ogen: volgend jaar moet deze basiskennis aanwezig zijn, maar ik ga niet wachten tot volgend jaar. De leerlingen willen het nú begrijpen.

De leerlingen kregen veel aandacht, doordat ze maar met drieën zaten. Dat gaf me voor mijn gevoel de volgende inzichten:
  • Mijn geduld was beter: ik nam de tijd om leerlingen fouten te laten maken of te laten nadenken;
  • Ik benaderde de leerlingen positief: ondanks de slechte ervaring (de onvoldoende) hing er een positieve sfeer. Mijn doel was helder en dat van de leerlingen ook, we zaten op één lijn.
  • De succeservaring van de leerlingen was sterker/werd hersteld: doordat ze stapsgewijs met de stof bezig waren, kwamen de leerlingen erachter dat ook zij de stof konden toe-eigenen. 
Tijdens dit lesuur maakte ik geen bewuste keuzes; het voelde op dat moment als improviseren en doen wat goed voelde. Direct naderhand stond ik stil bij wat er net gebeurde. Vooral op pedagogisch vlak behaalde ik mijn doel. Zonder een geforceerde, voorgekauwde aanpak liet ik leerlingen door middel van zelfreflectie inzien wat de oorzaak van hun fouten was. Als er toen een regenboog had geschenen, was het moment compleet.

Bibliografie:
Teeuwisse, E. & Timmermans, N. & Van Buurt, A. (2018). De zes principes van waarderend leren. Geraadpleegd op 12 december 2018 van file:///home/chronos/u-fcdffd31853c918abca11b0daca1b194410209b6/Downloads/De-zes-principes-van-waarderend-leren.pdf

Reacties